Orval – Abdij

De abdij Notre-Dame van Orval werd gesticht in 1132 en is één van de meest opmerkelijke cisterciënzer abdijen in België. Weggedoken in een diepe vallei herbergt ze nog steeds een monnikengemeenschap in het nieuwe klooster dat in de XXe eeuw werd opgetrokken in licht okerkleurige Franse steen. De ruïnes van het oude klooster geven echter een uitstekend beeld van hoe de kloostergemeenschap leefde, waarbij de Mathildebron en de tuin met medicinale planten de aandacht trekken. In de fundering uit de XVIIIe eeuw werd het museum ondergebracht waar de bezoeker via de producten van de oude smederijen, de maquette van de abdij en de schilderkunst van broeder Abraham kennismaakt met de geschiedenis.

Meer lezen...

Geschiedenis

In 1070 vestigden zich Zuid-Italiaanse monniken in het graafschap Chiny op een stuk grond dat hen door graaf Arnout werd geschonken. De bouw van een kerk en een klein klooster werd kort daarop aangevat. Deze pioniers trokken om onbekende redenen 40 jaar later weer weg, waarop Otto, de zoon van Arnout, hen verving door een kleine gemeenschap kanunniken die de bouwwerken voltooiden. De kerk werd in 1124 ingewijd door Hendrik van Winton, bisschop van Verdun. Het ging de kanunniken echter niet zo goed en daarom zochten zij aansluiting bij de Orde van Cîteaux. Sint Bernardus ging op hun vraag in en verzocht de abdij van Trois-Fontaines in Champagne om Orval over te nemen.

In maart 1132 voegden zich 7 cisterciënzermonniken bij de bestaande gemeenschap, die aan de slag togen om de gebouwen aan te passen aan de cisterciënzergebruiken. Volgens de regel van de cisterciënzers moest het klooster in het eigen onderhoud kunnen voorzien. Zij kregen een klein domein ten geschenke in de buurt van Carignan op 20 kilometer van het klooster. In de loop van de daaropvolgende jaren kregen ze nog andere stukken land, waaronder gronden van Buré-Villancy (in het huidige Franse departement Meurthe-et-Moselle) die later zouden uitgroeien tot het centrum van de ijzerindustrie van de abdij.

Gedurende vijf eeuwen kende Orval een bescheiden bestaan. Vanaf het midden van de XIIIe eeuw werd de abdij regelmatig geteisterd door rampen. Zo woedde in het klooster in 1252 een hevige brand, waarvan het zich pas na een eeuw herstelde. Sommige delen van de abdij moesten helemaal opnieuw opgetrokken worden.

De oorlogen tussen Frankrijk en Bourgondië en daarna tussen Frankrijk en Spanje in de XVe en de XVIe eeuw richtten grote verwoestingen aan in heel Luxemburg, waarvan Orval niet gespaard bleef. De cisterciënzers verkregen echter toch van Keizer Karel de toestemming om een ijzersmelterij te installeren, wat hen in staat stelde het schip van de kerk, dat dreigde in te storten, te herstellen. In 1533 werd de vernieuwde kerk ingewijd. Op dat ogenblik telde de gemeenschap 24 monniken.

De XVIIe eeuw was voor de abdij van Orval een hoogtepunt in haar ontwikkeling. In 1605 slaagde Bernard de Montgaillard erin zich, ondanks weerstand, door de aartshertogen Albrecht en Isabella tot abt te doen aanstellen en hij gaf zich volledig aan zijn monniken. Hij maakte de financiële situatie van de abdij weer gezond en liet de gebouwen restaureren. Zijn voornaamste verdienste was echter dat hij de gemeenschap hervormde en nieuw leven inblies, hetgeen het bewonersaantal in 1619 deed toenemen tot 43 (27 monniken, 8 broeders en 8 novicen).

In augustus 1637 werd de abdij, in het heetst van de Dertigjarige Oorlog, geplunderd en in brand gestoken door de troepen van maarschalk de Châtillon. Pas tegen het einde van de eeuw werd begonnen aan de wederopbouw in een klimaat van onveiligheid en onzekerheid.

Charles de Bentzeradt (afkomstig van Echternach) was van 1668 tot 1707 abt en ontpopte zich tot een gedreven hervormer, die naar het voorbeeld van abt de Rancé van de abdij van La Trappe, de “strikte observatie” invoerde, typisch voor de Trappisten. Hierop begon het klooster weer te bloeien, werd de abdij van Düssenthal gesticht en het huis van Conques-sur-Semois tot priorij verheven. Ook de met uitsterven bedreigde abdij van Beaupré in Lotharingen werd door monniken van Orval gered. In 1723 telde de abdij 130 leden.

Onder invloed van het jansenisme verliet in 1725 een groep monniken het klooster om in Utrecht het huis Rhijnwijk te stichten. Desondanks stonden de ijzersmelterijen van Orval op het einde van de XVIIe en tot het midden van de XVIIIe eeuw aan de spits van de westerse metaalindustrie. Dit liet de abdij toe een nieuw klooster te bouwen, ontworpen door Laurent-Benoît Dewez. In 1782 werd de kerk ingewijd, maar de rest van de werken werd geleidelijk stilgelegd bij gebrek aan geld.

In 1789 werden, tijdens de Franse revolutie, alle bezittingen van Orval in Frankrijk verbeurd verklaard en op 23 juni 1793 plunderden de troepen onder leiding van generaal Loison de abdij en staken ze in brand. De monniken trokken zich eerst terug in een vluchthuis in Luxemburg en daarna in de priorij van Conques, tot de abdij op 7 november 1896 officieel opgeheven werd.

Pas in 1926 stond de abdij terug op toen de familie de Harenne de ruines van Orval en de gronden eromheen terugschonk aan de Orde van Cîteaux. Dom Jean-Baptiste Chautard, abt van Sept-Fons (in het Franse departement Allier), nam de verantwoordelijkheid voor de abdij op en zond een groep monniken naar Orval.

Dom Marie-Albert van der Cruyssen, Gentenaar en monnik van La Trappe, nam de wederopbouw op zich. Architect Henry Vaes tekende het nieuwe klooster uit op de fundamenten van de abdij uit de XVIIIe eeuw en in 1936 werd Orval opnieuw een zelfstandige abdij met Dom Marie-Albert als abt. In 1948 waren de bouwwerken eindelijk afgewerkt en werd de kerk plechtig ingewijd. Kort daarna nam Dom Marie-Albert ontslag als abt en hij overleed in 1955.

Broeder Abraham Gilson (1741-1809)

Broeder Abraham trad in 1772 in Orval in het klooster als lekenbroeder, maar wijdde zijn hele leven aan de schilderkunst. Hij maakte kunstwerken voor de abdij die heropgebouwd werd, maar ook voor omliggende kerken en private woningen. Hij werkte met verschillende leerlingen, onder wie Jean-Antoine Ramboux, de toekomstige conservator van het Keulse Wallraf-Richartz museum.

De legende van Mathilde van Toscanië

Volgens de legende zou de abdij uit dankbaarheid ontstaan zijn: weduwe Mathilde, die gehuwd was geweest met Godfried IV met de bult van Bouillon, liet per ongeluk haar trouwring in de bron van het dal vallen. Ze smeekte God om hulp en het duurde niet lang of er kwam een forel boven water met in zijn bek de kostbare ring. Mathilde riep toen uit “Dit is echt een gouden dal!” (Orval, “val d’or” betekent “gouden dal”) en ze besloot uit dankbaarheid op deze gezegende plaats een klooster te stichten.

 

Pin It on Pinterest

Share This