Bouillon – Stad

Bouillon, een stadje van 5500 inwoners, is gegroeid aan de voet van de imposante burcht van Godfried van Bouillon. In het Waals wordt het stadje Bouyon genoemd en in het verouderd Nederlands Bullioen (vandaar dat op het standbeeld van Godfried van Bouillon op het Koningsplein in Brussel de naam van de trotse ruiter in het Nederlands vertaald is als “Godevaart van Bullioen”). De stad is een toeristisch centrum dat absoluut een bezoek waard is.

Meer lezen...

De stadskern van Bouillon ligt binnen een meander van de Semois, die relatief gemakkelijk te verdedigen was en vandaar ook een ideale plaats voor het inplanten van de burcht. Bouillon was dan ook eeuwenlang een klein hertogdom dat afwisselend onder controle van Frankrijk en het prinsbisdom Luik ressorteerde. In 1794 werd de Republiek Bouillon uitgeroepen, die echter korte tijd later opnieuw door Frankrijk geannexeerd werd.

De stad ligt op een hoogte van 380 meter en wordt door de Semois gescheiden van de steile, beboste Côte d’Auclin waarop zich de uitzichttoren Belvedère bevindt.

De stad wordt in grote mate gedomineerd door de burcht van Bouillon. De burcht is ontstaan in de VIIIe eeuw en werd op het einde van de XIe eeuw (1082) door Godfried van Bouillon verkocht aan de prins-bisschop van Luik voor 3 goudmark en 1300 zilvermark. Met dat geld kon hij zijn bijdrage aan de eerste Kruistocht financieren.

Musée Ducal

Vlakbij de burcht is het hertogelijk museum (musée Ducal) gevestigd. De afdeling ‘Geschiedenis en Folklore’ is gevestigd in een gebouw dat dateert uit de XVIIe eeuw dat als “la Maison du Gouvernement Bouillonnais” onderdeel uitmaakte van de bestuurlijke gebouwen. Het gebouw werd in 1951 verbouwd tot museum, zij het met respect voor de oorspronkelijke charme (de zalen behielden de afmetingen en de sfeer van de vroegere leefruimtes).

Het museum weerspiegelt het verleden van Bouillon: huisvesting, gewoonten, ambachten en boekdrukkunst worden op een zeer levendige manier voorgesteld door middel van maquettes, diorama’s, documenten en antieke voorwerpen, waarbij aandacht besteed wordt aan het hertogdom uit de tijd van het geslacht van de Tour d’Auvergne en de XIXe eeuw. Belangrijke kunstschilders uit de streek en het rijke industriële verleden (ondermeer de ijzernijverheid en de boekdrukkunst) vervolledigen het museum.

De afdeling ‘Godfried van Bouillon’ is ondergebracht in het aangrenzende gebouw uit het midden van de XVIIIe eeuw, gebouwd voor de raadsheer van het oppergerechtshof van Bouillon, Nicolas-Joseph uit Spontin. Dit gebouw werd in 1961 verbouwd tot museum, waarbij ook hier zoveel mogelijk geprobeerd is het oorspronkelijk karakter te bewaren.

Deze afdeling behandelt in grote mate de Eerste kruitocht: de maatschappij, het kasteel en zijn omgeving, de strategie van het oorlogvoeren, het Midden-Oosten en haar culturele bijdrage aan de westerse maatschappij uit de middeleeuwen. Ook hier worden de dingen zeer levendig voorgesteld en geïllustreerd.

Hotel de la Poste

Het Hotel de la Poste ontstond in 1730 als een eerder bescheiden afspanning, de Grand Cerf. In 1828 werd het gebouw omgedoopt tot Grand Saint-Hubert. Het gebouw werd in de XVIIIe en XIXe eeuw gebruikt als overnachtingplaats voor reizigers van de postkoetsen uit Engeland, Zwitserland, Nederland en Frankrijk en werd dan ook mettertijd het Hotel de la Poste. Op 3 september 1870 zou Napoleon III er gelogeerd hebben, na zijn nederlaag tegen Pruisen in de Slag bij Sedan.

De decanale kerk van Sint Petrus en Paulus (Eglise des Saints Pierre et Paul)

De parochiekerk van Bouillon is gevestigd aan de Rue des Augustins op de plaats waar de vroegere kloosterkerk van de Augustijnen stond. De bouw van deze neoclassicistische kerk duurde van 1848 tot 1851. Zij is 53 meter lang en 30 meter breed, het schip heeft een lengte van 30 meter (tot voor het koor) en een hoogte van 15 meter. De toren is 45 meter hoog. De drie altaren zijn op indrukwekkende wijze gebouwd en versierd in neoclassicistische stijl. De preekstoel en de biechtstoelen zijn op magistrale wijze in eikenhout gebeeldhouwd. Altaren, preekstoel en twee biechtstoelen werden in Leuven ontworpen door de beeldhouwers Goyers. Het orgel is een meesterwerk dat in 1882 geplaatst werd door de werkplaats Pierre Schyven uit Brussel.

Tegen de onderzijde van het oksaal ontdekt men 3 geschilderde panelen uit 1939: in het midden ‘Ide van Ardennen’ (geboren in het kasteel van Bouillon rond 1040 en moeder van Godfried van Bouillon) met haar 3 kinderen, rechts Sint Nicolaas, beschermheilige van de houtbewerkers en links Sint Elooi, beschermheilige van metaalbewerkers en edelsmeden. Rechts van de inkom hangt een schilderij uit het midden van de XIXe eeuw van de hand van M. Mathieu. Het stelt Godfried van Bouillon voor als kruisvaarder.

De schilderijen opgehangen langs de muren geven passages uit het evangelie en het leven van Christus weer en geven een vrij moderne indruk. Ook de glasramen zijn kleurrijk en geven een moderne indruk.

Het geheel is zeer harmonieus en is zeker een bezoek waard.

Stadsbeeld

De stad op zich is erg aantrekkelijk en toont een aantal interessante woningen en historische gebouwen. De oude stadswallen en versterkingen zijn hier en daar nog steeds zichtbaar. Ook de Kapel van de Champs-Prévôt, de oude priorij van de ‘Sépulcrines’, het huis Maugré, het huis du Prévôt, het hôtel d’Artaize, het huis Lavacherie zijn evenzoveel pareltjes die de geïnteresseerde bezoeker zeker zullen aanspreken.

Tombeau du Géant

Als men in Bouillon is, is het waarschijnlijk de moeite waard even tot aan de “Tombeau du Géant” (het graf van de reus) te gaan, een beboste meander in de Semois bij Botassart in Ucimont, die omzeggens niet bewoond is, maar onmiskenbaar de indruk wekt van een reusachtige grafheuvel.

Legende

Bouillon heeft vele legenden en we willen de lezer dan ook niet onthouden er minstens één te vertellen, deze van de Sint-Pietersfontein: In de tweede helft van de XVIIIe eeuw stond de toenmalige hertog Charles Godefroid de la Tour d’Auvergne verschillende drukkers toe hun drukpersen in Bouillon te installeren. Eén van hen, Bovy, vestigde zich met zijn echtgenote en dochter in de Maladreriestraat. De moeder maakte zich veel zorgen over hun 16-jarige dochter die geteisterd werd door bloederige puisten in het gelaat, waartegen geen enkele remedie leek te helpen. Toen zij hoorde dat de houtvester van Orchimont bekend stond als tovenaar die haar dochter zeker zou kunnen helpen, besloot de vrouw ten einde raad met haar dochter tot bij hem te gaan.

Nog voor zij de kans gekregen hadden de houtvester aan te spreken riep hij uit “Ah, Mevrouw, daar komt een meisje dat later, als ze mijn raad wil opvolgen, een mooie markiezin zal worden. Ik weet wat u komt vragen… en ik zal u ook een oplossing bieden, op voorwaarde echter dat je deze geheim zult houden.” Toen ze hiermee instemden, zei hij: “Breng gedurende twaalf dagen uw dochter naar het diepe ravijn achter het klooster van de monniken. Daarin stroomt een beekje dat men de Chanteraine noemt, volg het tot waar het zich in de Semois werpt. Even voor die plaats ontspringt een bron uit de rots die bekend staat als de bron van Sint Pieter. Uw dochter moet haar gezicht elke dag bij het ochtendgloren met dit water inwrijven gedurende enkele minuten en het dan uit zichzelf laten drogen. Daarna komt u terug naar mij…” Toen de moeder na twaalf dagen terug met haar dochter bij de houtvester kwam, was ze in de zendende hemel, want haar dochter had een zijdezachte huid gekregen en zag er meer dan lieftallig uit.

Een tijdje later kwam de jonge Markies van Tourville-Carignan uit Parijs om zijn oom te bezoeken die gouverneur was van het kasteel van Bouillon en hij ontmoette Eléonore bij de Luikse brug. Hij werd op slag verliefd en drie maanden later werd Eléonore Bovy zijn markiezin. Zij deed haar intrede in de salons van Versailles aan de arm van haar dolgelukkige echtgenoot.

Omdat het geheim goed bewaard is gebleven, is de bron vergeten, maar zij is er nog steeds en is nog steeds in staat een overweldigende schoonheid te geven aan wie het nodig heeft…

 

Pin It on Pinterest

Share This