Bouillon – Burcht

De burcht van Bouillon vindt zijn oorsprong in de middeleeuwen en ligt op drie rotspunten boven de Semois. De burcht bestaat in feite uit drie forten die door middel van bruggen met elkaar verbonden zijn.

Meer lezen...

Het Hertogdom Bouillon

Men gaat ervan uit dat het hertogdom Bouillon gesticht is rond 732. Het wordt een eerste maal schriftelijk vermeld in 843 in het verdrag van Verdun, waarin beschreven staat dat het hertogdom overgedragen wordt aan het koninkrijk Lotharingen. In 959 werd Lotharingen door Bruno, aartsbisschop van Keulen en broer van keizer Otto de Grote, verdeeld in Neder- en Opper-Lotharingen.

Neder-Lotharingen werd toegewezen aan Godfried I van Verdun die ook hertog van Bouillon werd. Heerszuchtig als hij was trok Godfried I ten strijde tegen Frankrijk, dat zich echter meester maakte van Verdun en de hertog gevangen nam. Zijn jarenlange gevangenschap bezorgde Godfried de bijnaam ‘de Gevangene’.

Godfried I werd opgevolgd door zijn zoon Godfried II de Jonge, die op zijn beurt opgevolgd werd door Godfried III met de Baard. Deze laatste verbouwde de burcht, die tot dan toe waarschijnlijk niets meer was dan een rots met een klein fort dat de weg van Frankrijk naar Luik controleerde, tot een indrukwekkend slot, zoals we het nu nog kennen. De buurt was echter niet de meest veilige en Godfried met de Baard aarzelde niet tegen de keizer in opstand te komen en het aartsbisdom Verdun te belegeren, zij het zonder succes. Hij slaagde erin terug in de gunst van de Keizer te komen en kreeg de opdracht ten strijde te trekken tegen de Noormannen die hij uiteindelijk verjoeg. De roem die hij aan deze overwinning ontleende, leidde tot een huwelijk met Beatrix van Toscane, waarschijnlijk de rijkste en machtigste partij uit het westen. De hertog werd vader van drie kinderen waaronder twee meisjes.

Zijn zoon Godfried met de Bult erfde het hertogdom en Neder-Lotharingen, maar stierf kinderloos. Hij leefde in onmin met zijn echtgenote (Mathilde van Toscane) en liet zijn erfenis na aan de toen 16-jarige zoon (Godfried van Bouillon, geboren tussen 1056 en 1060) van zijn jongere zuster Ida d’Ardenne (of Ida van Verdun), echtgenote van Graaf Eustacius II van Boulogne. Keizer Hendrik IV van het Heilige Roomse Rijk besloot het hertogdom echter aan zijn eigen zoon Koenraad te geven en enkel Bouillon en het markgraafschap Antwerpen aan Godfried. In 1089 kreeg Godfried evenwel toch het hertogdom in handen, als beloning voor zijn diensten in de oorlog van de keizer tegen de Saksen en paus Gregorius VII. In 1095 stond hij zijn hertogdom echter af aan de prins-bisschop van Luik om de kosten van de kruistocht te dekken.

De volgende vijf eeuwen kwam Bouillon onder de heerschappij van de prins-bisschoppen van Luik, maar zij hadden niet hetzelfde prestige als de Godfrieds d’Ardenne. De eerste vijftig jaar werden bloedige veldslagen uitgevochten om de burcht in handen te krijgen en ook daarna bleken de prins-bisschoppen meer dan eens eerzuchtig en dikwijls in bloedige twisten gemoeid. Pas in 1547 kwam het hertogdom in handen van de familie de la Tour d’Auvergne en braken jaren aan van welvaart en vrede.

Uit deze periode stamt de Oostenrijkse toren uit 1551, toen het kasteel grondig verbouwd werd. De volgende grote verbouwingen werden uitgevoerd door de Franse generaal Sébastien Le Prestre de Vauban onder Lodewijk XIV van Frankrijk, de zonnekoning. Tegen het einde van de XVIIIe eeuw werd het hertogdom hoofdzakelijk bestuurd vanuit Parijs, hetgeen de voedingsbodem vormde voor het ontstaan van een beweging die in 1794 leidde tot het uitroepen van de Republiek van Bouillon, die korte tijd later geannexeerd werd door Frankrijk. Het grondgebied van het hertogdom dat zich eens uitstrekte tot Zeeland, was toen reeds geslonken tot een grondgebied met een doorsnede van 30 kilometer.

De laatste verbouwingen aan de burcht werden uitgevoerd onder het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, toen de middeleeuwse donjon gesloopt werd. De militaire betekenis van de burcht eindigde pas in 1830.

Godfried van Bouillon en de eerste kruistocht

Godfried van Bouillon die naar verluidt als kind eerder ziekelijk was, kreeg zijn echte krijgsopleiding in Bouillon en groeide uit tot een militair leider met gezag. Gedurende lange tijd waren er geen huwelijken en nakomelingen van Godfried bekend. Het was geweten dat hij zou uitgehuwelijkt worden aan Maria van Ingegerd, een van de dochters van Harald III van Noorwegen, maar dat ging niet door. Nieuwe genealogische bevindingen geven aan dat Godfried op jonge leeftijd getrouwd is in Engeland met Beatrijs, een dochter van Geoffrey (Godfried) de Mandeville. Zij zou de tante van de eerste graaf van Essex geweest zijn. Er zou ook een zoon zijn geboren uit hun huwelijk, genaamd Willem van Boulogne.

Na het Concilie van Clermont-Ferrand in 1095 riep Paus Urbanus II op tot het houden van een kruistocht ter bevrijding van Jeruzalem, maar het was voornamelijk Pieter de kluizenaar die hem over de streep trok.

Om de kosten van de kruistocht te dekken, stond hij zijn hertogdom af aan Otbert, prins-bisschop van Luik, waarbij echter bedongen werd dat de overdracht slechts definitief werd drie jaar na het vertrek van de hertog. Hij verkocht eveneens de kastelen van Stenay en Mouzay aan de bisschop van Verdun, hij liet de inwoners van Metz vrij tegen honderdduizend kronen en schonk het kasteel van Ramioul aan de kanunniken van Maastricht. Tijdens een plechtigheid in de Sint-Pieterskerk van Bouillon deed Godfried meerdere schenkingen aan de monniken van Saint-Hubert, die de kerk beheerden.

Op 15 augustus 1096 vertrok Godfried naar Palestina als aanvoerder van het meest indrukwekkend leger van die tijd. Hij werd vergezeld van zijn broers Eustacius en Boudewijn van Boulogne (de latere Boudewijn I van Jeruzalem), terwijl onderweg andere heren en ridders, maar ook veel avonturiers zich bij hem aansloten. Onder de edelen bevonden zich Robrecht II, Graaf van Vlaanderen met 12.000 ruiters, Godfried en Jan van Namen met 6.000 ruiters, graaf Albert van Namen met zijn neef Frederik, de baronnen van Fleurus, Doornik, Trazegnies met hun legers, evenals de Brabantse heren Hendrik van Aarschot, Boudewijn en Gontran van Brussel, Walter van Nijvel, Hendrik en Godfried van Asse en Werner van Grez. Anderen waren de Luikse ridders aangevoerd door Conon, graaf van Montaigu-bij-Laroche en zijn zoon Lambrecht en de Graaf van Clermont-sur-Meuse. Over de grootte van de legers wordt door historici nog steeds gediscussieerd; sommigen reduceren het leger tot circa 30.000 manschappen, terwijl anderen uitgaan van schattingen van 300.000 tot 600.000 man.

Het leger trok via Duitsland en Hongarije naar Byzantium. Onderweg verloor het leger veel manschappen door honger en strijd. Toch behaalde Godfried in Doryleum (1097) een overwinning op de muzelmannen die hij op de vlucht joeg. Vervolgens was er in 1097 de verovering van Nicea (het tegenwoordige Iznik) en Edessa en in 1098 van Antiochië. Toen het leger in 1099 uiteindelijk bij Jeruzalem aankwam, was het uitgedund tot 50.000 man, maar het bracht toch de stormrammen en gevechtstorens in stelling om de door drie vestingmuren en 13 poorten versterkte stad te belegeren. Gedurende drie dagen werd een bloedig en vernietigend gevecht gevoerd dat op 25 juli 1099 tot een doorbraak leidde. Na het bloedbad dat dagenlang duurde, kwamen de belangrijkste aanvoerders samen en verkozen Godfried tot eerste koning van Jeruzalem, maar hij beperkte zich tot de titel “Advocatus Sancti Sepulchri” (beschermer van het Heilig Graf). Er werd tevens een wetboek opgesteld onder de naam ‘Assisen van Jeruzalem’.

De inname van Jeruzalem betekende echter niet het einde van de oorlog. Verschillende sultanaten boden nog weerstand en dienden eveneens veroverd te worden. Toen Godfried in 1100 terugkeerde van een expeditie tegen de sultan van Damas, stierf hij op 39-jarige leeftijd, naar men zegt vergiftigd. Godfried van Bouillon werd begraven in de kerk van het Heilig Graf aan de voet van de Calvarieberg. Godfrieds broer, Boudewijn van Boulogne, werd op 25 december 1100 tot koning gekroond.

De legende van de bloeiende struik

Gravin Ide d’Ardenne zag haar kind Godfried dag na dag achteruit gaan en was de wanhoop nabij. Bekende doktoren hadden geen oplossing gevonden en heiligdommen leken de zaak niet te keren. Een oude kluizenaar raadde Ide aan haar zoon naar de gezonde lucht van de Ardennen te brengen, waarop zij in Bouillon kwam wonen.

Men zag haar vaak op zoek naar frisse bosjes, bloeiende weiden en geurende kleine dalen, maar het kind leek er niet beter op te worden. Op een dag kwam Ide op een heuvel, afgezet met zilveren meidoorn en wilgen met gouden katjes, en zag ze een kudde schapen die naar een struik liep die door een fee getooid was met een niet te evenaren elegantie en pracht. Terwijl Ide uit haar draagstoel kwam en naar de struik liep, opende deze zich, een jonge herderin kwam tevoorschijn en zei: “Ik groet u schone dame. Wat wenst u?” “Mooi kind”, antwoordde Ide, “kijk toch hoe ongelukkig ik ben omdat mijn zoon in mijn armen aan het sterven is”.

Door medelijden geroerd reikte de herderin naar een wilgenstruik waaruit zij als bij wonder een ivoren Mariabeeld te voorschijn haalde. Een hartstochtelijk gebed welde op van de lippen van de edele Ide: “Hemelse Koningin, schenk alstublieft gezondheid aan mijn zoon. Bewapen hem met moed en kracht, zodat hij roem kan oogsten uit zijn heldendaden. Ik beloof u dat hij zijn dapperheid zal wijden aan het bestrijden van de ongelovigen”.

Het gebed werd verhoord. Het mooie gezicht van het kind kreeg kleur, zijn ogen werden levendiger en er verscheen een heerlijke glimlach op zijn gelaat terwijl zachte muziek de struik vulde met zijn zachte akkoorden. De jonge prins groeide op in kracht en schoonheid. Als dapper soldaat vervulde hij de wens van zijn moeder door het graf van Christus van het juk van de ongelovigen te verlossen.

 

Pin It on Pinterest

Share This